Richt. 17:7.
Want er is één God. Er is ook één Middelaar tussen God en mensen, de mens Christus Jezus. Hij heeft Zich gegeven als een losprijs voor allen
1Timotheüs 2:5-6
Richteren 17:7.
HSV Nu was er een jongeman uit Bethlehem in Juda, uit het geslacht van Juda. Hij was een Leviet en verbleef daar als vreemdeling.
NBV Nu was er een jonge Leviet die verblijf hield in het stamgebied van Juda en in Betlehem woonde.
Ging het tot nu toe voornamelijk over Micha en zijn moeder, nu komt er nog een ander in beeld in deze geschiedenis, zoals beschreven in Richteren 17. De moeder van Micha komt verder in de beschrijving niet meer voor. Misschien is zij dan inmiddels overleden. Als deze geschiedenis verder verteld wordt in het volgende hoofdstuk van het Bijbelboek Richteren, verdwijnt Micha ook zelf uit beeld en geeft de Bijbel een beschrijving van de geschiedenis van de stam Dan. De leviet die hier de geschiedenis van Micha binnenkomt, gaat dan een verwerpelijke rol spelen in het midden van de Danieten.
Door de Statenvertaling en de Herziene Statenvertaling dreigt er een misverstand te ontstaan over de identiteit van de Leviet, zoals hij genoemd is in (Richteren 17:7), alsof deze Leviet is voortgekomen uit de stam van Juda. Maar dat kan niet waar zijn, want een echte Leviet is een achterkleinkind van Levie, de stamvader van de levieten, die op zijn beurt een zoon was van Jacob, die door God Israël werd genoemd. Zo zijn de levieten dus ook Israëlieten Het mogelijke misverstand over de identiteit van deze Leviet wordt ongedaan gemaakt in de Nieuwe Bijbelvertaling, zoals wij gelezen hebben.
Levieten kon je overal aantreffen in het Beloofde Land van Israël, want de stam Levi had geen grond aangewezen gekregen om in eigendom te nemen en daar te wonen. Dit in tegenstelling tot al de elf andere stammen van Israël die allemaal een bepaald gebied hadden ontvangen van de Heere. De grond waarop men woonde, moest gebruikt worden om door middel van landbouw, veeteelt en visserij in het onderhoud van haar nieuwe bewoners te voorzien. Maar de stam Levi kreeg geen eigen grond toegewezen. Zij hadden geen tijd om zich uitgebreid bezig te houden met landbouw, veeteelt of een of ander ambacht. De levieten waren de dienaars van de Tempel en dus ook van de priesters.
De Levieten hadden weliswaar geen land toegewezen gekregen, maar er waren wel 48 steden voor hen om daarin te wonen. Deze steden bevonden zich door heel het land in de stamgebieden van de andere stammen. Het was de bedoeling dat zowel de priesters als de levieten onderhouden zouden worden door heel het volk van Israël, maar het is de vraag of dit altijd goed gewerkt heeft.
Het volk van God, Israël, had de opdracht tien procent van hun inkomen af te staan aan de levieten. Op hun beurt zouden de levieten dan weer tien procent van hun inkomsten doorgeven aan de priesters Zo werd de Godsdienst gefinancierd door het volk.
Dit lijkt wel een beetje op de financiële bijdragen die leden van de diverse kerken geven om het kerkelijk leven in stand te houden. Meestal gaat het dan om vrijwillige bijdragen waar geen controle op wordt uitgeoefend. Alleen als er te weinig geld binnenkomt om de organisatie draaiende te houden, dan kan het zijn dat de gemeenschap wordt opgeroepen om meer geld aan de geloofsgemeenschap af te dragen, maar altijd op basis van vrijwilligheid. Alhoewel er ook enkele groeperingen bestaan die tien procent van het inkomen verplicht stellen. Ik ken echter geen kerk of geloofsgemeenschap waar er werkelijke controle plaatsvindt om na te gaan of men wel voldoende bijdraagt. Dan is iedere gelovige dus verantwoording verschuldigd tegenover God.