Ga direct naar de hoofdinhoud

Jezus, wie is Hij? 

Want er is één God. Er is ook één Middelaar tussen God en mensen, de mens Christus Jezus. Hij heeft Zich gegeven als een losprijs voor allen

1 Timotheüs 2:5-6 

Jezus wie is Hij? 2

Handelingen 10:37-38.

SV 37 Gijlieden weet de zaak, die geschied is door geheel Judea, beginnende van Galilea, na den doop, welken Johannes gepredikt heeft; 38 belangende Jezus van Nazareth, hoe Hem God gezalfd heeft met den Heiligen Geest en met kracht; welke het land doorgegaan is, goeddoende, en genezende allen, die van den duivel overweldigd waren; want God was met Hem.

NBV 37 U weet wat er in het hele Joodse land is gebeurd, hoe het begon in Galilea, hoe God na de doop waartoe Johannes opriep 38 Jezus van Nazareth met de Heilige Geest heeft gezalfd en met kracht heeft bekleed. Hij trok als weldoener door het land en genas iedereen die in de macht van de duivel was, want God stond Hem bij.  

Jullie weten het. Wie weten het? Cornelius en zijn overwegend heidense vrienden weten het! Maar wat weten zij dan? Zij weten wat er gebeurd is in het Joodse land. De gebeurtenissen die daar hebben plaatsgevonden, eerst door en rondom Johannes de Doper en daarna vanwege het optreden van Jezus. Het is bekend geworden. De informatie is de evangelist vooruitgesneld. Petrus hoeft het niet allemaal helemaal te vertellen. De gebeurtenissen zijn bekend, Hij hoeft ze alleen maar kort samen te vatten. Het schijnt zelfs bekend te zijn dat God Jezus gezalfd heeft met de Heilige Geest. En dat deze Jezus daar door beschikte over bijzondere kracht. En waarom was Jezus in staat om de werken van de duivel te verbreken. Omdat God Hem bijstond. Het gaat hier dus over drie personen. Allereerst Johannes, vervolgens Jezus en daarna over God die Jezus in staat stelde al die bovennatuurlijke dingen te doen.  Hoe stelde God Jezus in staat om dat allemaal te doen. Jezus werd volgens de NBV nadat hij gedoopt was Door God gezalfd met de Heilige Geest en in die Geest was de kracht om dit allemaal tot stand te brengen. Toen trok Jezus door het land als weldoener en Hij genas iedereen die in de macht van de duivel was.  

Als ik nu de vraag zou moeten beantwoorden “wie is Jezus?” naar aanleiding van deze korte tekst, dan zou ik zeggen: Jezus is hij die wonderen doet, doordat hij daartoe gedoopt is, gezalfd met de Heilige Geest, en hij was tot deze dingen in staat doordat God Hem bijstond. Dat is wat Petrus zegt. Onze Heer Jezus is in dit vers niet aan God gelijk, maar van Hem afhankelijk. Nu is er wel een verklaring voor te bedenken waarom Hij van de Vader afhankelijk is, en die verklaring zegt: ‘Jezus is in Zijn Godheid niet van de Vader afhankelijk, maar wel in Zijn menszijn. Dat klinkt logisch Maar mijn bezwaar is dat ik deze uitleg nergens tegenkom in de Bijbel. In de Bijbel is Jezus zowel de Zoon van God als ook de Zoon des mensen en dat kun je niet splitsen. Hij is dat altijd allebei en overal in de hemel en op de aarde.

Wat is de verklaring van Jezus zelf over zijn Goddelijkheid? Daarover spreekt hij in:  

Johannes 10:31-37.

SV 31  De Joden dan namen wederom stenen op, om Hem te stenigen. 32 Jezus antwoordde hun: Ik heb u vele treffelijke werken getoond van Mijn Vader; om welk werk van die stenigt gij Mij? 33 De Joden antwoordden Hem, zeggende: Wij stenigen U niet over enig goed werk, maar over godslastering, en omdat Gij, een Mens zijnde, U zelven God maakt. 34  Jezus antwoordde hun: Is er niet geschreven in uw wet: Ik heb gezegd, gij zijt goden? 35 Indien de wet die goden genaamd heeft, tot welke het woord Gods geschied is, en de Schrift niet kan gebroken worden; 36 zegt gijlieden tot Mij, Dien de Vader geheiligd en in de wereld gezonden heeft: Gij lastert God; omdat Ik gezegd heb: Ik ben Gods Zoon? 37 Indien Ik niet doe de werken van mijn Vader doe, zo gelooft Mij niet;

NBV. 31 Toen dan de joden weer stenen opraapten om dat ze Hem wilden stenigen. 32 Zei Jezus: ‘Ik heb door de Vader veel goeds voor u gedaan; om welke goede daad wilt u mij stenigen?’ 33 ‘Voor een goede daad zullen wij u niet stenigen,’ antwoorden ze, maar wel voor Godslastering: ‘U bent een mens, maar U beweert dat U God bent!’ 34 Jezus zei: ‘Staat er in uw wet niet geschreven: “Ik heb gezegd: ‘u bent goden’”? 35 De schrift blijft altijd van kracht; als mensen tot wie God spreekt goden genoemd worden, 36 Hoe kunt u Mij, door de Vader geheiligd en naar de wereld gezonden, dan beschuldigen van Godslastering wanneer ik zeg dat ik Gods Zoon ben? Als wat ik doe niet van de Vader komt, geloof mij dan niet,  

Tot later.